Vroeger was alles beter…

Feitelijk kun je stellen dat ons voedsel nauwelijks meer lijkt op hetgeen onze voorvaderen aten. 70% van het voedsel dat wij nu eten kwam niet voor op hun menu. We hebben het dan over:

  • Graanproducten
  • Geraffineerde suikers
  • Melkproducten
  • Plantaardige oliën (margarine e.d.)

Ook vroeger was er behoefte aan vet en suiker

Bijna alle dieren op aarde hebben een manier gevonden om teveel aan energie op een bepaald moment op te slaan in de vorm van vet. Zo ook bij de mens. Alleen niet ten koste van alles….

Onze oerouders aten meer zoals de apen: fruit, noten, wortels en knollen. Aangezien de meeste planten laag in calorieën zijn, moest er veel van gevonden worden om te kunnen overleven. Fruit was een gecondenseerde vorm van energie en het zoeken ervan begon lang voordat de mens op aarde kwam.  Fruit wordt namelijk ook gegeten door veel zoogdieren. Het nadeel van fruit was dat het niet het hele jaar te krijgen was. Dit betekende dat je in de zomer, wanneer het fruit verkrijgbaar was, veel fruit moest eten om de suikers ervan te kunnen opslaan als lichaamsvet.

Dit lichaamsvet had je dan in de winter nodig om de kans op overleven te vergroten. Het eten van fruit zorgde dus heel vroeger al voor de smaakontwikkeling van ‘zoet’.  Toen al is er een soort liefdesaffaire met fruit en dus suiker ontwikkeld. Als je dit vergelijkt met het eten van vlees, dan eten we dat pas ongeveer 2,5 miljoen jaar.

Vleesch voor de hersenen

Vlees speelde een essentiële rol in de toename van de hersenen van de mens. Het zorgde er ook voor dat we langer werden en dat onze darmen kleiner werden en de hersenen groter. Doordat de hersenen groter werden, nam de vraag naar glucose toe. Glucose is de brandstof voor de hersenen; zij ‘drinken’ 24 uur per dag glucose. De hersenen hebben 24 uur per dag aanbod van glucose nodig, aangezien ze glucose niet kunnen opslaan, zoals bijvoorbeeld de lever en de spieren. Dit verklaart dan ook dat de passie voor zoet, helaas, niet verloren ging toen de hersenen groter werden.

Door het eten van vlees hoefden onze voorouders niet meer elke dag te eten om te overleven. De wilde dieren die werden gegeten hadden een vetpercentage van gemiddeld 4-6%. Nu is dat percentage veel hoger, vooral doordat veel van de dieren die wij eten met graan gevoerd worden. Dat resulteert in een vetpercentage van rond de 28%! Bovendien zijn de vetzuurverhoudingen anders en bevatten ze meer verzadigde vetten. Dit komt vooral omdat dieren in de vrije natuur constante fluctuaties in lichaamsgewicht en vooral in lichaamsvet hebben.

Wilde dieren vangen vs de marathon van New York

Wilde dieren vangen met speren en naar huis brengen, kun je vergelijken met het lopen van een marathon. Als je in bomen moet klimmen om fruit, noten of honing te verkrijgen, dan is dat hard werken. Tot de uitvinding van de landbouw was onze voorouder constant op zoek naar voedsel.

De landbouw deed zijn intrede, ongeveer 10.000 jaar geleden, waardoor het voedsel op één plaats verbouwd werd. Mensen gingen meer bij elkaar wonen en zo ontstonden dorpen en steden. Hierdoor konden ook allerlei bacteriën zich gemakkelijker manifesteren. Voor het eerst in het ontstaan van de mens ontstonden epidemieën. Het voedsel veranderde van wild vlees, fruit, wortels en knollen naar meer gecultiveerde granen. Dit zorgde ervoor dat aminozuren, vitamines en mineralen geroofd werden, waardoor er tekorten in het lichaam ontstaan.

We passen ons niet snel genoeg aan

De levensmiddelen technologie heeft zich in een hoog ontwikkeld. Ons maag-darmkanaal heeft zich daar nog lang niet op aangepast! Door de hoeveelheden die we eten en de veranderde samenstelling van de macronutriënten (eiwitten, koolhydraten en vetten) in ons voedsel ontstaan uiteraard allerlei problemen bij mensen. Dit heeft dus zijn oorsprong in het feit dat onze vertering van voedsel zich niet heeft aangepast in onze veranderde eetgewoonten.

Voordat de landbouw zijn intrede deed, at de mens een voeding die laag in koolhydraten en hoog in vlees was. Wild voedsel is rijk aan vezels en geeft zijn energie relatief langzaam aan het lichaam af. Toen dus de landbouw en veeteelt ontstond, kwam er een heel ander soort voedsel beschikbaar. Het menselijk lichaam heeft zich daar nog maar nauwelijks op aangepast.

De laatste 100 jaar consumeren we nog weer anders. We eten vooral:

  • Veel koolhydraten uit graan en suiker, vaak sterk bewerkt en geraffineerd
  • Landbouwdieren, welke voornamelijk graan gebaseerde voeding (mais-soja) krijgen i.p.v. groen en grasvoer. Dit geeft een verschuiving in het vetzuurpatroon van het dier en dus ook in wat wij binnen krijgen!
  • Minder natuurlijke voeding als groenten en fruit
  • Meer kunstmatig geproduceerde voeding
  • Armere voeding door vermindering van de kwaliteit van de aarde
  • Bespoten voedsel door gebruik van meer pesticiden, insecticiden en ook kunstmest
  • Meer residuen van medicijnen & chemicaliën die in ons drinkwater voorkomen

Koolhydraten zijn de belangrijkste macronutriënt

Koolhydraten worden door veel mensen als de grootste boosdoener gezien. Koolhydraten zijn namelijk de belangrijkste macronutriënt bij de aanmaak van lichaamsvet. Hierover vertel ik dan ook graag meer in een volgende blog!


Geef een reactie